|
"Het is van fundamentele betekenis dat het gezin zich toelegt op menselijke en geestelijke vorming en het lijkt me dat de klub meer de rol van de school heeft. Dat zij zich op de eerste plaats moet bezighouden met de haalbare aspecten. Zo moet een school, volgens mij, zich in principe met cultuuroverdracht bezighouden. Maar als het een goede school is, zal zij tegelijkertijd de ouders behulpzaam zijn op het terrein van de jeugdvorming. Bij een klub ligt dat anders, want een klub heeft als een van zijn doelstellingen, lijkt mij: het bevorderen van een vriendschappelijk klimaat. En ín dat klimaat en dóór die vriendschap kan een klub de mensen helpen te beteren. Niet door de activiteiten; deze zijn middel om het doel te bereiken. De kinderen komen dus niet per se om vliegtuigjes te leren bouwen of om te leren schilderen of gitaarlessen, neen, dat zijn middelen om het doel te bereiken: het vormen van vriendschap tussen de mensen die de klub bezoeken. Een vriendschap houdt verschillende dingen in: het hebben van een gemeenschappelijk belang en meer dan dat, belangstelling voor de medemens zelf. En de goede vriend is diegene die opbelt als de ander ziek is en die hem vraagt hoe hij het maakt en die hem opzoekt. Die hem feliciteert op zijn verjaardag en iets voor hem doet. Díe probeert iets te verzinnen als hij merkt dat de ander ongelukkig is en hulp nodig heeft. De goede vriend is degene met wie men als het ware een verbond gesloten heeft, zoals twee mensen elkaar kunnen "bevestigen", afspreken om samen te werken, voor elkaar zorg te dragen, met elkaar mee te denken en over elkaar in te zitten. Dáár gaat het om bij vriendschap. En ik geloof dat een klub in wezen de vorming van vriendschap in die zin bevordert. En vraagt u mij of er tussen ouders en kinderen vriendschap kan bestaan, dan zeg ik: "Ja, er kán vriendschap bestaan tussén ouders en kinderen." Maar eigenlijk is de vriendschap tussen vader en zoon méér dan vriendschap, omdat de vader ook vader is. Ik herinner me het geval van een vriend die zag dat zijn kind met een moeilijkheid zat en die zei: "Hoor eens, ik ben je vriend, Jimmy, en je kunt me alles vertellen wat je overkomt. Want echt, ik ben je vriend. Je kunt me vertellen wát je maar wilt, heus, we zijn vrienden!". En zijn zoontje keek hem aan en zei: "Maar papa, ik heb een heel stel vrienden. Wat ik nodig heb, is een vader!". Vriendschap veronderstelt wederkerige interesses, wat betekent dat er tussen vader en zoon vriendschap kan ontstaan wanneer de zoon iets aan zijn vader begint te geven. Als de vader alles aan zijn zoon geeft, kan er geen vriendschap ontstaan. En ik geloof dat het van belang is, dat men inziet hoe vaak men probeert voortdurend te geven aan zijn kinderen. Men begrijpt vaak niet dat men ook van hen moet vragen dat zij wederkerig iets geven; dat dat gewoon hun plicht is. Wat men dus in een klub doet, is vriendschap leren vormen zodat de kinderen niet alleen beter zullen zijn als vrienden maar ook als kinderen. Daarom is het ook duidelijk dat de ouders bij de klub betrokken moeten zijn, want dan kan de volmaakte driehoek in vriendschapsverhoudingen ontstaan: vriendschap tussen de mensen die de klub organiseren én de ouders en tussen diezelfde mensen en de kinderen en tussen ouders en kinderen. Zo steunt men elkaar wederkerig. En tegenwoordig kan men héél wat wederkerige steun gebruiken. Het is erg moeilijk alles alleen te moeten doen zonder dat iemand helpt. Waarom zou men dan zeggen: dit doe ik thuis en dát zullen ze op de klub wel doen, dat is mijn zorg niet, dat zoeken ze dáár maar uit. Volgens mij is dat op zijn minst een gebrek aan efficiency als je het zuiver zakelijk bekijkt. Nog afgezien van het feit dat het gewoon heel gezellig kan zijn om eens met anderen te praten, die de zorg voor je kinderen met je delen."
|