Voor de ouders

Doelgericht Opvoeden: het aanleren van goede gewoonten

Inleiding

Om te beginnen wil ik iets vermelden waar jullie misschien niet aan gedacht hebben. Het is moeilijk een lezing voor te bereiden omdat iedereen die er naar komt luisteren, met andere verwachtingen komt. Terwijl de een belangstelling heeft voor de nieuwste wetenschappelijke ontdekkingen in verband met de opvoeding tot natuurlijke deugden is een ander waarschijnlijk gekomen in de hoop het magisch recept te vinden voor de problemen waarmee hij met zijn eigen kinderen te kampen heeft. En een derde komt misschien alleen maar omdat hij er zeker van is dat hij op deze manier een rustig uurtje kan genieten zonder de beeldbuis en de kinderen!  

Om dus een lezing te kunnen geven waar ieder in vindt wat hij nodig heeft, ben ik niet te rade gegaan bij de nieuwste ontwikkelingen op wetenschappelijk gebied; evenmin heb ik een toespraak voorbereid met magische recepten voor de gezinssituatie, want magische recepten bestaan gewoonweg niet. Wat ik ga doen is informatie verstrekken, min of meer systematisch, over opvoeden in de natuurlijke deugden.

Daarbij heb ik geen enkele pretentie een compleet overzicht te geven van het onderwerp, maar eerder jullie een paar grondgedachten mee te geven om daarover na te denken. Ik hoop dat ieder van jullie daardoor geholpen wordt een duidelijker inzicht te krijgen op wat hij of zij als ouder kan doen in het bijzonder met betrekking tot de eigen kinderen.     

Wat zijn deugden?

Allereerst wil ik duidelijk maken wat ik bedoel met natuurlijke deugden. Want het woord deugd klinkt misschien als iets middeleeuws en helemaal niet als een woord dat tegenwoordig (het was toen 1981! red.) nog bruikbaar lijkt!   Laat ik jullie twee definities van deugd geven. De traditionele definitie van een deugd luidt: een gewoonte om het goede te doen; een gewoonte om op het goede gericht te zijn. Het tegenovergestelde, een ondeugd, is dus de gewoonte het verkeerde te doen. Een deugd houdt dingen in als rechtvaardigheid, gehoorzaamheid, begrip voor de ander, onzelfzuchtigheid, enz. Doorsnee ouders zouden graag zien dat deze goede hoedanigheden in de eigen kinderen tot ontwikkeling zouden komen. Met andere woorden: men zou graag zien dat zijn kinderen die deugden aanleerden.   De andere definitie die wat pragmatischer is, lijkt me gemakkelijker te begrijpen: een deugd is een houding die men graag bij anderen aantreft ten opzichte van zichzelf en die men zich slechts met grote inspanning in het persoonlijk gedrag kan eigen maken. Dat wil zeggen: jij ziet graag dat men jou goed behandelt. Maar je beseft dat daarvoor een persoonlijk streven in het eigen leven moet zijn om een beter mens te worden, edelmoediger of trouwer te zijn en wat dies meer. Vandaar de bovenstaande definitie. De ontwikkeling van de deugden in de gezinssfeer   Wat de eerste definitie betreft wil ik proberen duidelijk te maken waarom de deugden voor de ouders en voor het gezinsleven van het grootste belang zijn. Want men zou de mening kunnen zijn toegedaan dat deze bijzondere hebbelijkheden (habitus) - want deugden zijn tevens hebbelijkheden –een schoolaangelegenheid zijn omdat het gezin niet de juiste plaats kan zijn om die eigenschappen aan te kweken, en dat men het daarom beter aan anderen kan overlaten.   Hoe kan men nu laten zien dat het noodzakelijk is dat de ouders ondanks de grote inspanning die het soms kost, bij hun kinderen de natuurlijke deugden moeten trachten aan te kweken?   De gedachtegang zou als volgt kunnen zijn: allereerst moeten wij uitgaan van de stelling dat het gezin een natuurlijke leefgemeenschap is binnen de samenleving. Als er nu typische eigenschappen bestaan die men uitsluitend of voornamelijk aan het gezin kan toeschrijven of men daar aantreft, dan betekent dat in zekere zin dat men het bestaansrecht onderkent van het gezin als natuurlijke leefgemeenschap. Als vervolgens die eigenschappen in verband staan met de natuurlijke deugden, dan kan men concluderen dat de natuurlijke deugden tot die eigenschappen behoren die voornamelijk in het gezin tot ontwikkeling gebracht moeten worden.   Wanneer ik het gezin nu eens niet uit wetenschappelijk oogpunt beschouw, maar meer op een alledaagse manier zoals men bijv. ieder zijn eigen gezin of dat van anderen kan zien in zijn onderlinge betrekkingen, dan ontdek ik dat de werking van het gezin oorspronkelijk berust op iets dat uniek is, namelijk dat voor de mens in het gezin de mogelijkheid bestaat aanvaard te worden zoals hij is, als een onherhaalbaar wezen. Want, terwijl de mens in alle andere organisaties in de samenleving in principe om zijn functie aanvaard wordt, d.w.z. om wat hij doet, vindt hij alleen in het gezin de mogelijkheid te worden aanvaard om wat hij is, om het unieke van zijn persoon, wat wil zeggen: alle facetten van zijn eigenheid. En wanneer ik over eigenheid spreek, dan bedoel ik iemands heel eigen gedachten, die niemand anders ooit heeft gedacht; iemands speciale eigen gevoelens, die geen ander ooit heeft gevoeld; eigenaardigheden van iemands lichaam en alle heel eigen facetten van iemands geest.   En zo zie ik in het gezin, dat immers een natuurlijke eenheid vormt, de aspecten van die eigenheid tot uitdrukking komen, wat inhoudt dat alleen dáár de mens aanvaard kan worden om datgene wat uniek aan hem is.   Laat ons een voorbeeld stellen om te verduidelijken dat men in de samenleving iemand in principe om de functie die men vervult geaccepteerd wordt, om wat men doet dus. Neem bijv. een voetbalteam. Als een speler zijn been breekt, dan kan hij niet datgene doen wat van hem verwacht wordt: hij kan niet dribbelen en tegen de bal trappen. Hij kan dus niet langer spelen en wordt daardoor uit het team gezet want hij functioneert niet. Als iemand bij een bank werkt waar het zijn of haar taak is formulieren in te vullen en wordt blind, dan zal die persoon niet bij die bank kunnen blijven werken: die persoon zal hoogstwaarschijnlijk de WAO ingaan. En zo valt het in te zien dat een mens in alle andere organisaties anders dan het gezin, op de eerste plaats hoort te functioneren, te voldoen aan de vooropgestelde eisen van een werkkring, terwijl de mens in het gezin de gelegenheid krijgt aanvaard te worden om heel zijn unieke eigenheid.   Wij gaan nu een stap verder en mijn stelling is dat ouders die van mening zijn dat het gezin terecht deze speciale eigenschap bezit, meer aandacht zullen moeten schenken aan de wezenlijke issues dan aan de algemene bezigheden van de eigen kinderen. Als ouders uitsluitend zich bezig houden samen met hun kinderen allerlei – noem het algemene activiteiten - te doen zoals fietsen, tennissen, leren typen en dergelijke, dan gebruiken ze in feite hun tijd uitsluitend voor dingen die anderen van hen zouden kunnen overnemen.   Als zij, ondanks de speciale band met hun kinderen, geen aandacht schenken aan de wezenlijke zaken zoals de gevoelens van de kinderen; als het hun niet echt aangaat of de kinderen zich gelukkig of bedroefd voelen; als ze zich er niet zorgen om maken of de kinderen boos of blij zijn; als ze geen echte belangstelling tonen voor de bijzondere trekken van hun kinderen, dan ziet het ernaar uit dat ze de mogelijkheden die het gezin biedt niet goed benutten, en dat ze hun voordeel niet doen met de eigenschappen van het gezin als natuurlijke leefeenheid.

Volwassen worden

Deze zorgeloosheid houdt rechtstreeks verband met het tweede aspect waarmee ik het belang van de deugd in het gezin wil benadrukken. En dat is via de opvatting over de volwassenheid. Nu wordt er een heleboel over volwassenheid en rijpheid gesproken: psychiaters, psychologen, filosofen en ook ouders praten erover. Maar nadat ik al hun gesprekken over volwassenheid gehoord en gelezen heb, is het mij nog niet helemaal duidelijk wat ze onder volwassenheid nu eigenlijk verstaan.   Ik meen dat er een opvoedkundig standpunt bestaat van waaruit men de volwassenheid kan bezien - het standpunt van de ouders dus - dat veel simpeler en ook veel nuttiger is dan alle andere. Volgens dit standpunt moet men volwassenheid of geestelijke rijpheid opvatten als het resultaat van de harmonische ontwikkeling van de natuurlijke deugden. Dit betekent dat wanneer iemand meer dienstbaar en rechtvaardiger wordt, ook steeds meer oprecht, meer begrijpend en meer geordend moet worden. In de mate dat men zich steeds meer al die verschillende kwaliteiten eigen maakt wordt men in feite meer volwassen, meer mens dus.   Er bestaan ook andere opvattingen over volwassenheid en ik zeg niet dat die geen nut hebben. Ik zeg alleen dat het gezien vanuit het standpunt van de ouders het verstandig is als zij het zo bekijken: als ik mijn kind ertoe kan krijgen edelmoediger te worden, oprechter, ordelijker enz., dan zal hij in feite een hogere graad van rijpheid bereiken. Dit betekent alweer dat de natuurlijke deugden - aangezien ze immers het gevolg zijn van de natuurlijke ontwikkeling in het gezin - vanuit de opvoedkundig rol van de ouders gezien, veel aandacht zullen moeten krijgen.   Dit is de rechtvaardiging van waarom de natuurlijke deugden binnen het gezin zo belangrijk zijn.     

Gewoonte en routine   

Laat ik nu nog een paar aspecten duidelijk maken met betrekking tot de eerste definitie die ik van deugd gaf: een gewoonte om het goede te doen.   Wanneer men over gewoonten praat, denkt men al gauw aan routine. Ik weet niet of het jullie ook zo vergaat, maar bij een gewoonte (om het goede te doen) krijgt men gemakkelijk het idee dat die in een routine kan veranderen en dat er dan geen waarde meer heeft; dat bij het ontwikkelen van bijv. edelmoedigheid en oprechtheid men al gauw in routine vervalt, en dat het dan geen opvoedkundig nut meer zou hebben... Er bestaat echter goede en er bestaat slechte routine. Bijvoorbeeld ‘s morgens trekken we altijd dezelfde schoen het eerst aan. Stel jij je eens even voor dat je er iedere morgen over moest piekeren of je de linker of toch maar liever eerst de rechterschoen zou moeten aandoen! Het zou belachelijk zijn. Zoiets wordt routine en niemand maakt mij wijs dat er iets verkeerds is aan die routine. Mannen beginnen altijd zich te scheren op dezelfde plek. Stelt jij je maar weer eens voor, daar staat jij in de vroege morgen voor de spiegel je af te vragen: "Waar zal ik vandaag beginnen?" Zoiets gaat toch automatisch. Alweer: routine. En hoewel ik moet bekennen dat mijn onderzoek ter zake zich niet ver uitgestrekt heeft, heb ik toch zo het gevoel dat het de vrouw die make-up aanbrengt, net hetzelfde vergaat. En zo zijn er ontelbare voorbeelden. Als we in onze koffie roeren doen wij het altijd in dezelfde richting. We staan er niet bij stil om bij onszelf te overleggen "Welke kant zal ik nu weer eens op roeren?" Een heleboel zaken in het leven doen wij gedachteloos en daar is niets verkeerds aan. Integendeel! Zou het niet fantastisch zijn als men ‘s morgens zou kunnen opstaan, douchen, zich scheren, aankleden en ontbijten helemaal automatisch en tot aan de huisdeur komen zonder erbij te hebben hoeven nadenken? Zonder moeite te hebben hoeven doen om uit bed te komen? Dat zou een goede routine zijn!   En de les hieruit is volgens mij deze: routine is over het algemeen goed wanneer het over zaken gaat, maar slecht wanneer het mensen betreft. Als men dus de auto automatisch behandelt, als men bijv. zegt: "laat ik hem iedere week schoonmaken" of iets dergelijks, dat is prima. Maar wat jij niet kunt maken is je echtgeno(o)t(e) op dezelfde manier behandelen en bijv. zeggen: Hé, het is vandaag donderdag, dus ik moet met hem of haar gaan wandelen! Iedereen voelt met zijn klompen aan dat dit een teken zou zijn van absoluut gebrek aan respect voor je echtgeno(o)t(e). Dit laat zien dat je routinematige handelingen niet op verband vindt men ook deugden, die op zaken toegepast worden zoals bijv. orde, netheid; en hierbij ziet men in dat de routine die men in verband met de ordelijkheid ontwikkelt, inderdaad niet altijd op mensen toegepast kan worden omdat er dan flexibiliteit aan te pas moet komen. Tot zover de kwestie van de routine.     

Het aanleren van goede gewoonten   

De volgende vraag is dan: wanneer we het hebben over de gewoonte het goede te doen, hoe kan men dan deze gewoonte verkrijgen? En het antwoord luidt: door het stellen van eisen. Iemand moet aan de persoon in kwestie eisen stellen, of de persoon moet zichzelf de eisen stellen, opdat door een en dezelfde handeling verschillende malen te herhalen men die speciale gewoonte verkrijgt. Er moeten dus eisen worden gesteld, anders is het onmogelijk de gewoonte eigen te maken.   Dit lijkt enigszins in strijd met de school die de creativiteit vooropstelt, zo in de zin van "men moet kinderen laten doen wat ze zelf willen, ze zullen heus hun weg wel vinden". Maar ik vraag me af: is dit werkelijk in strijd met de opvatting van de persoonlijke vrijheid wanneer men goede gewoonten bij kinderen wil ontwikkelen? Mijn antwoord hierop is: neen. Het is zelfs het tegenovergestelde.   Door het kweken van goede gewoonten bij kinderen maakt men hen juist méér vrij. Hier weer een voorbeeld om dit te verduidelijken.   Stellen we ons een jongen of een meisje van een jaar of 17 voor dat door een vriend wordt uitgenodigd voor een partijtje tennis. Theoretisch hebben zij twee mogelijkheden: spelen of niet spelen. Maar als zij als kind nooit hebben leren tennissen, dan zullen zij - hoewel zij in theorie twee opties hebben: spelen en niet spelen - in feite tot niets anders in staat zijn dan niet te spelen. En precies hetzelfde gebeurt het met de natuurlijke deugden. Als er bij het kind nooit verantwoordelijkheidsbesef is aangekweekt, dan zal hij of zij tegen de tijd dat hij 17 is en de gelegenheid heeft te kiezen tussen wel of niet verantwoordelijk te handelen, in feite alleen maar kunnen kiezen voor niet verantwoordelijk handelen. Wat zij wél kunnen doen is op dat ogenblik beginnen te streven naar een groter verantwoordelijkheidsbesef. Het is overigens nooit te laat om daarmee te beginnen!   Het aanleren van deugden, van goede gewoonten, is dus juist het tegengestelde van ingaan tegen de vrijheid: het is het ontwikkelen van de persoonlijke vrijheid door de mens méér keuze mogelijkheid te geven in zijn leven.         

Ongewenste uitingen   

Bij het nadenken over de deugden is er een derde kwestie, waarmee we rekening moeten houden en die ons van nut zal zijn namelijk, te beseffen dat er tegenover elke deugd minstens twee ondeugden staan.   We denken soms wel, dat een deugd iets hemels is, waar nauwelijks iets op tegen kan zijn, maar in feite zijn er altijd minstens twee ondeugden die er verband mee houden.   Dit is heel duidelijk te zien bij de deugd van orde, de netheid. Een van de ondeugden is altijd het tegenovergestelde van de deugd. En zo ziet men dan ook tegenover elkaar staan: orde en wanorde.   Jij vraagt je af: wat is nu dan de andere ondeugd? De andere ondeugd is een overmaat van die zelfde deugd! In dit geval de orde-manie: orde omwille van de orde. En dat is evengoed een ondeugd als totale wanorde. Maar soms beseft men dit niet en denkt men dat orde perse goed is. Welnu, orde is goed, als ze dient om een betere samenleving in het gezin te bewerken of een grotere doelmatigheid te bereiken bij het gebruik van bepaalde instrumenten. Maar als de orde een einde maakt aan het geluk en de vrolijkheid in het gezin, dan heeft zij duidelijk haar grens overschreden. Er is dus niet alleen een ondeugd gelegen in het tegenovergestelde van de deugd, maar evenzeer in het overdrijven van die deugd. Bij alle deugden komt dit voor. Denken we bijv. aan werklust - hier in Nederland misschien wel een van de meest beoefende deugden! - dan doet zich de vraag voor: in hoeverre is dit inderdaad een deugd en in hoeverre is het ontaard in de ondeugd van een overmaat aan "nietsdoenerij"?   Iedereen weet dat luiheid in strijd is met deze deugd, als zijnde het tegenovergestelde. Maar er bestaat ook een kwaad door overmaat aan "werklust". En dan hebben we te doen met een fanatieke activiteit. De mens die nooit ophoudt, die nooit nadenkt over wat hij aan het doen is, werkt enkel om het werk; om zijn tijd te vullen. Hij kan niet ophouden; hij kan niet nadenken over de zin van wat hij aan het doen is. En het komt vaak voor, dat zo iemand het dan in een aspect, daar waar het zijn beroep betreft, inderdaad goed doet, heel goed zelfs, maar hij zal alle andere aspecten verwaarlozen. Hij zal dus zijn taak als vader niet goed vervullen, want hij is beland bij de ondeugd, bij het kwaad van een teveel in zijn beroepsuitoefening, omdat hij het evenwicht niet heeft weten te vinden tussen zijn verschillende verplichtingen. Deze deugd zal hij in het bijzonder moeten gaan aankweken.   Men ziet dit ook bij andere deugden, zoals bijv. bij oprechtheid. In verband hiermee zouden ouders kunnen denken dat het beste zou zijn als hun kinderen hun alles vertelden. Maar een kind dat zijn ouders alles vertelt zou in feite in strijd met de oprechtheid handelen. Want oprechtheid wil zeggen: duidelijk maken wat men ziet, wat men denkt, wat men voelt enz., mits aan de juiste persoon en op het juiste moment. Als mijn kind een band van kameraadschap heeft met een vriend, die hem binnen die vertrouwensrelatie iets heeft verteld, dan moet hij dat niet aan zijn ouders vertellen. Als hij ziet dat zijn vriend een probleem heeft en hij gaat naar zijn vader en zegt: "Pa, wat kan ik doen om mijn vriend te helpen; zus en zo staat het er met hem voor?", dan hoort dat duidelijk tot de deugd. Maar als hij het alleen maar vertelt aan zijn ouders om het praatje en zonder enige bedoeling, dan zou dat duidelijk in strijd zijn met de deugd van oprechtheid. En dan zijn er ook nog dingen die hij zijn vader alleen moet vertellen, en niet moeder, en hetzelfde een meisje aan haar moeder; en er zijn weer andere dingen die alleen voor de vrienden bestemd zijn. We moeten dit beschouwen als het op het juiste "niveau" zijn van de deugd, als een bewaren van het evenwicht, het juiste peil. Zo zijn er nog meer dingen waarmee we rekening moeten houden wanneer we willen gaan opvoeden in de deugden.     

Wat houdt precies het beoefenen van deugden in?   

Allereerst moeten we duidelijk vaststellen wat oprechtheid betekent, of wat edelmoedigheid of rechtvaardigheid is. En zonder iemand te willen beledigen, ben er nog niet zo heel zeker van dat we allemaal weten wat wij met die zaken bedoelen. Ik zou een experiment willen uitvoeren om te kijken of ik gelijk heb.   Ik vertel jullie een verhaaltje over een kind en jullie zeggen me na afloop of dat kind in die situatie verantwoordelijkheid heeft getoond of niet.   Dit is een kind dus van een jaar of 10, 11 dat speelt met een bal thuis in de woonkamer en hij breekt een lamp. Dan holt hij naar zijn moeder en zegt: "Mama, ik heb zo juist de lamp in de huiskamer gebroken!" Toont dat kind nu verantwoordelijkheidsbesef of niet? Wat denken jullie?   - (gelach, gemompel, aarzelend "nee")   Dat is vreemd! Ik zie duidelijk dat sommige mensen nee zeggen, anderen schudden het hoofd of knikken van ja, en de meest voorzichtige onder jullie zeggen helemaal niets. Maar is het niet vreemd dat een begrip als verantwoordelijkheid, waar we dagelijks mee omgaan zoveel discrepantie kan wekken? Nu vertel ik u een ander verhaal dat met oprechtheid te maken heeft.   Stel jij je een klas voor met jongens en meisjes van ongeveer 7 jaar. De juf schrijft op het bord. Er ontstaat in eens ontzettend veel lawaai achter haar rug. Zij keert zich om en vraagt: "wie maakt al dat lawaai?". Een meisje staat op, ze wijst naar een klasgenootje en zegt: "Hij daar, juf!". Mijn vraag nou is deze: is dat meisje oprecht geweest of niet?   - ("misschien", gelach)

  Men zou kunnen denken: "Ik geloof dat ze eerlijk is, maar aardig vind ik het niet! En hoe zou dat "niet aardig zijn" nu een deugd kunnen zijn?"   Dit vertel ik om te laten zien dat het nog niet zo zeker is dat we van alle woorden die we dagelijks gebruiken, ook precies weten wat ermee bedoeld wordt. En hoe zullen we onze kinderen ertoe brengen oprecht, edelmoedig enz. te zijn, als we zelf niet precies weten wat die woorden inhouden?   We gaan even terug naar die verantwoordelijkheid. Hier is het vrij duidelijk dat het kind gedeeltelijk verantwoordelijk handelt. Hij handelt verantwoordelijk omdat hij, nadat hij de lamp gebroken heeft, naar zijn moeder toe gaat om te zeggen dat hij het gedaan heeft. Maar het was anderzijds onverantwoord van hem in de woonkamer met de bal te spelen. Het merkwaardige is dat veel jonge mensen ook zo doen. Ze zeggen wel: "ik neem de verantwoording op me voor wat ik doe!", maar niet: "ik zal rekening houden met de mogelijke gevolgen van mijn daden!"   De deugd van verantwoordelijkheid kent dus twee aspecten:  
  • men moet over de mogelijke gevolgen van de eigen handelingen nadenken vóór men handelt en 
  • men moet de verantwoording nemen voor de eigen handelingen nadat men die verricht heeft.  
En nu nog even over de oprechtheid. Het meisje is niet oprecht geweest. Want oprechtheid is een deugd die geleid moet zijn door een andere deugd, namelijk de naastenliefde. Als er naastenliefde in het spel was geweest, dan zou zij bijvoorbeeld na de school naar haar klasgenoot toegegaan zijn en hem hebben gevraagd: "waarom zei je niet dat jij het deed?" en ze zou niet geklikt hebben.   Het volgende voorbeeld illustreert nog eens hetzelfde. Stel jij je een man voor die naar een van zijn vrienden of medewerkers gaat en als volgt tegen hem begint te praten: "Kijk eens, je werk is afschuwelijk slecht, jij weet niet hoe je met mensen moet omgaan en er is niemand die ook maar enigszins met je kan samenwerken..." hij gaat als maar door hem op deze manier te beledigen en ten slotte zegt hij nog: "...en dit vertel ik je allemaal voor je bestwil!" Dan moet men denken: is die man nu echt oprecht? Neen, zou ik zeggen. Oprechtheid moet gepaard gaan met de naastenliefde en ook met de deugd van verstandigheid - een van de vier hoofddeugden, die alle andere deugden op het juiste doel richt, zodat ze niet worden overtrokken en tot een ondeugd worden.

Leidraad voor de opvoeding: (zich) eisen stellen   

Het eerste wat we dus moeten doen wanneer we die eigenschappen willen ontwikkelen is voor onszelf duidelijk vaststellen wat we willen bereiken. En ten tweede, inzien dat het ontwikkelen van ieder van deze deugden weer een verschillende aanpak vraagt; maar wel altijd door het stellen van eisen. Wij moeten dan ook beseffen dat bij een jong kind wij de eisen moeten stellen ten aanzien van wat hij doet, d.w.z. eisen stellen aan zijn daden - het herhalen van een aantal handelingen - en naarmate hij opgroeit, stellen we onze eisen minder ten aanzien van zijn daden, maar meer ten aanzien van zijn denken, opdat hij leert denken voordat hij - uit zichzelf - handelt.   In deze tweevoudige manier van eisen (eisen t.a.v. het doen en eisen t.a.v. het denken) moet een psychische component zijn ingebouwd. Men moet er namelijk rekening mee houden dat het geen zin heeft met een heel jong kind te veel te redeneren, een feit dat door psychologische studies is aangetoond. Voor een kind van 7 jaar is in feite datgene wat zijn ouders hem zeggen wet. Plaget en zijn volgelingen hebben dit naar voren gebracht en in de Verenigde Staten zijn er interessante studies over verschenen, waarin men dit alles baseert op het rechtvaardigheidsbesef. Zo zegt men dus dat de wet voor een kind tot ongeveer 7 jaar datgene is wat zijn vader hem vertelt. Als zijn vader hem zegt iets te stelen in een winkel, dan is dat voor hem dus goed, omdat zijn vader het hem heeft opgedragen.   Later komen er spelregels aan te pas, dan worden de regels het belangrijkste voor een kind. Als men dan thuis vaste regels instelt, doet men precies wat het kind nodig heeft. Dat geldt voor de leeftijd van 7-11 jaar. Dan gebruiken kinderen uitdrukkingen als "Dat is niet eerlijk! dat hebt je met Annet wel gedaan en niet met mij". Dit is ook de tijd waarin   ze het idee hebben, dat iedereen op dezelfde manier behandeld moet worden. Een probleem is dat sommige mensen hun leven lang aan dat idee van rechtvaardigheid blijven vasthouden. In feite is het pas vanaf zijn 11de of 12de jaar dat het kind kan gaan inzien, dat alle mensen verschillend zijn en dat de mensen dan ook verschillend behandeld moeten worden en wel op een manier die in overeenstemming is met hun aard en wezen.   Het blijkt dus zeer belangrijk te zijn dat men bij een jong kind zodanige eisen stelt, dat hij een aantal handelingen geregeld herhaalt en zodoende een gewoonte vormt die hem in zijn later leven van nut kan zijn.

Het belang van de gevoelens   

Ordelijkheid is een van de deugden die men een jong kind moet aanleren. Ook oprechtheid moet men aankweken. Maar naast het verstandelijk eisen stellen moet men weten wat er in het kind omgaat. Men kan iemand immers alleen maar leiding geven als men weet wat er in hem of haar omgaat. Als je daarbij even stil staat zie je hoe vaak men tracht raad te geven uitgaande van volstrekt onvoldoende informatie. Is het niet zo dat de twee vragen, die we ons kind gewoonlijk stellen, deze zijn: "wat heb je vandaag gedaan op school?" en "wat denk je?". En soms besteden we dan geen aandacht aan een heel belangrijk deel van het kind: het gevoel. We vragen hem niet: "Hoe voelde jij je?". Daarom zal het kind als het ons over zichzelf vertelt, ook alleen die dingen noemen waarvan we hem hebben laten merken dat we ze belangrijk vinden. En dat zijn: wat hij gedaan heeft; wat hij denkt. Hij zal niet over zijn gevoelens praten, die toch een erg belangrijk deel van hem zijn.   Men moet een manier zoeken om de gevoelens te ontwikkelen. Het is een feit dat men gevoelens het beste tot ontwikkeling kan brengen in zo natuurlijk mogelijke omstandigheden. Men is het dichtst bij de natuur wanneer men onder de mensen is en wanneer men zich buiten in de vrije natuur bevindt. Bij enig nadenken valt het echter op, dat buiten voor veel mensen alleen maar een plaats is waar men langs moet om in een andere stad te komen. Eigenlijk nogal tragisch! Te bedenken dat we al dat natuurschoon hebben om van te genieten en in te leven, en dat de mens soms er maar zo weinig besef van heeft hoe ervan te genieten. En juist als hij dan eens naar buiten gaat en in zichzelf keert, dan kan het gebeuren dat hij aspecten van zijn eigen persoonlijkheid ontdekt die hem niet zo best bevallen.   Als men nu bij zichzelf dingen ontdekt die men niet prettig vindt, dan heeft men de keuze uit twee mogelijkheden: ofwel men zegt: "ik ga proberen mijn leven te beteren en een ander mens te worden", ofwel men gaat afleiding zoeken. En als men afleiding zoekt, zal men ontdekken dat de twee meest efficiënte afleidingsmethoden zijn: lawaai maken en activiteit ontplooien. En het komt me voor dat er heel wat lawaai en heel wat activiteit om ons heen is!   De hedendaagse mens - als hij überhaupt naar buiten gaat - neemt te vaak zijn cassette of cd-speler mee, omdat hij niet alleen kan zijn met zichzelf. Toch hebben kinderen deze stilte in de natuur nodig.     

Informatie verschaffen   

Ik wil nog even terugkomen op wat ik gezegd heb over de eisen die men moet stellen, zodat een aantal handelingen herhaald worden en op termijn een gemak voor het handelen ontstaat. Hierbij is het van belang hoe men het kind de informatie verschaft die hij nodig heeft om in staat te zijn, uit eigen beweging zijn streven voort te zetten, omdat hij het belang ervan inziet. Dit betekent dat we moeten leren hoe we aan onze kinderen informatie dienen te verschaffen. Ze moeten leren wat het wil zeggen rechtvaardig te zijn, wat het is edelmoedig te zijn, om nu maar eens bij deze belangrijke deugden te blijven. We moeten hen deze dingen bijbrengen.   Hier zien we iets merkwaardigs - en soms grappigs tegelijk - in het bijzonder wanneer het om de wat oudere jeugd gaat. Dit is meestal het moment waarop de vader bij de opvoeding van zijn kinderen begint te helpen. Hij ziet dat zijn kind met het een of ander probleem zit, dus neemt hij hem mee naar zijn studeerkamer - als hij tenminste zo gelukkig is er een te bezitten - om zo rustig met hem te kunnen praten. En de vader begint zoals de kinderen dat noemen "een preek te houden". Daarna wacht hij op het magische moment waarop zijn zoon of dochter het hoofd zal buigen en zeggen: "Het spijt me, pa, je hebt inderdaad gelijk". Dat moment laat echter vergeefs op zich wachten.   Maar hoe moet men een kind dan iets bijbrengen? Welnu, er zijn drie criteria waaraan je informatie moet voldoen. De informatie moet zijn:

duidelijk, beknopt en "geef aan het onderwerp een andere wending" (change the subject!)
Dit laatste is belangrijker dan het op het eerste gezicht lijkt.   Hoe geeft men immers over het algemeen informatie? Langdradig en erg verward. En als het kind het de eerste keer niet begrijpt, begint men nog eens opnieuw om het de tweede keer duidelijk te maken. Maar de tweede keer is men nog onbegrijpelijker dan de eerste. Dan probeert men het voor de derde keer en het enige resultaat is dat men (de vader) zich verschrikkelijk kwaad maakt! En dat niet vanwege het kind, omdat hij het niet begrepen zou hebben, neen, maar omdat men zelf niet in staat is gebleken zich begrijpelijk uit te drukken! Men moet dus eerst nadenken voor men begint te praten. En dan een duidelijke informatie geven en die kort houden: het kind is niet dom; hij zal erover nadenken. Misschien denkt of zegt hij wel: "wat een onzin" terwijl hij de deur uitgaat, maar de volgende dag hebt je kans dat je hem dezelfde redenering hoort gebruiken tegenover vrienden! Maar misschien doet hij dat ook niet, daar is hij tenslotte vrij in.   Het blijft vreemd, de manier waarop mensen elkaar altijd trachten te overtuigen. Als men nu eens reëel bekijkt hoe vaak men in zijn leven iemand ergens van heeft kunnen overtuigen! Hoe dikwijls? Eenmaal? Tweemaal? Zeker niet vaker. Want als iemand tegen je zegt: "Daar ben ik het mee eens", betekent het, dat hij het er al mee eens was, vóórdat je tegen hem begon te redeneren. En als hij dat nog niet was, dan heeft hij misschien een halve minuut nodig of een halve week, of een halve maand of een half jaar om zich die bepaalde redenering eigen te maken. Maar jij bent niet degene die hem overtuigt. Hij of zij overtuigt zichzelf!   En bij kinderen is het precies hetzelfde. Het is geen zaak hen te overtuigen, het is zaak hun de informatie te geven, zodat ze zichzelf kunnen overtuigen.   Daarna moet je van onderwerp veranderen, omdat het zoals ik al zei, geen kwestie is van overtuigen, van laten zien hoeveel je wel weet, van pronken met je "intellectuele biceps". Toon respect voor hun eigen kunnen en kennen. En informeer daarna bijv. eens naar hun sport: "Hoe ging het met je training gisteren?"     

De saamhorigheid van het gezin   

Al het bovenstaande houdt verband met twee vragen, die door de ouders als erg belangrijk en als behorende tot de kern van de zaak beschouwd moeten worden, namelijk:

Wat is de betekenis van het gezinsleven? Wat is hierin de rol van de ouders?
Om te beginnen is het belangrijk voor ouders zich ervan bewust te zijn welke waarden in hun eigen leven het kostbaarst zijn, en of die waarden goed en nuttig zijn. Het is dus allereerst aan de ouders om te bepalen voor welke waarden zij willen leven. En dat is tevens de enige manier om eensgezindheid te scheppen in het gezin. Die eensgezindheid is toch een van de doelstellingen die elke ouder wil verwezenlijken.   Een saamhorig gezin wil niet zeggen: een gezin waarvan alle leden zich hetzelfde gedragen, hoewel sommige ouders het zo zien. De kinderen moeten zich dan net leren gedragen als de ouders, en iedereen moet zich hetzelfde gedragen. Ik herinner me een vader, die naar een lezing was gekomen en na afloop besefte dat zijn gezin helemaal niet eensgezind was. Daar wilde hij iets aan doen. Dus organiseerde hij de volgende zondag een uitstapje waaraan al zijn kinderen moesten deelnemen. Hij begon met enthousiasme zijn plannen uiteen te zetten aan zijn 15 jarige zoon. Maar de zoon antwoordde: "Papa, ik heb al met een paar vrienden afgesproken om te gaan voetballen!" "Bel ze dan onmiddellijk op – was zijn antwoord - en zeg hun dat je niet mee kunt gaan, want ik wens een eensgezind huisgezin te hebben!". Hij praat met zijn dochter, maar die bleek ook al afgesproken te hebben dat ze kennissen gaat bezoeken. "Bel dan op en zeg ze af!". Tenslotte gaat het hele gezin de stad uit. De dochter komt de hele middag demonstratief de auto niet uit. De zoon stapt wel uit, maar hij beledigt zijn vader en krijgt een draai om zijn oren. Aan het eind van de middag komen ze weer thuis, maar in een allerellendigst humeur! De vader mompelt echter bij zichzelf: "in ieder geval had ik vanmiddag een saamhorig gezin!". Als de saamhorigheid in het gezin op deze manier het met me eens zijn.   Volgens mij is een saamhorig gezin een gezin, waarvan de leden dezelfde waarden respecteren. De werkelijke waarden van zo'n gezin bestaan dan in het totaal van de levensopvattingen van elk lid van dat gezin. Allen hanteren dezelfde normen, terwijl ieder kind toch zijn eigen levensstijl heeft, maar binnen diezelfde normen. Hetzelfde geldt eigenlijk ook voor de samenleving.   De veelzijdigheid van een samenleving wordt gevormd door de som van de persoonlijke leefstijlen van haar leden. Een samenleving moet men niet volgens plan opbouwen. Men moet gebruik maken van de typische eigenschappen van elk van de leden, dáár vindt men de werkelijke waarde van een samenleving.     

Conclusie   

Peinzend over al die reeks genoemde eigenschappen, kwaliteiten, deugden, waarden of hoe je ze ook wilt noemen kom ik tot de conclusie dat het waardevol is juist het gezamenlijk bezit van deze dingen samen met de kinderen na te streven. Erkennen namelijk dat het niet alleen om verstandelijke begrippen gaat, maar dat we ook met elkaar mee moeten voelen.   Soms denk ik: wat is het toch droevig dat we een kind nooit echt leren lachen, nooit echt leren huilen of zijn gevoelens leren uitdrukken. Hoe jammer als we alleen maar met woorden bepaalde verstandelijke gedachtepatronen kunnen weergeven. Een mens is veel meer dan gedachtepatronen alleen. In het gezin moet men de liefde voor het kind doen voelen. En een van de belangrijkste deugden in dit verband voor ouders en kinderen is optimisme. Hier heb ik een definitie van een optimist: diegene die in staat is in elke situatie allereerst de voordelen en de mogelijkheden te zien die de situatie biedt. En pas daarna ziet hij de problemen en moeilijkheden. Hij heeft zich de gewoonte eigen gemaakt, allereerst te zoeken naar wat de moeite waard is. Deze eigenschap is weer verwant aan de opgewektheid, wat eigenlijk alleen maar wil zeggen: die stemming welke de mens in staat stelt het goede te zien. Het tegenovergestelde is de neerslachtigheid.   Dit betekent dat we erop uit moeten zijn, het goede in onze kinderen te zien. Te ontdekken wat ze te bieden hebben aan talenten. En dan niet alleen op verstandelijk gebied; we moeten hen ook laten voelen dat we hen waarderen, en het vertrouwen dat we in hen stellen op hen overbrengen. En onze liefde op hen overbrengen. Anders zullen we niet sterk genoeg zijn om de strijd aan te gaan voor het behoud van dezelfde waarden, die voor ons het leven de moeite waard maken.

RONDVRAAG 

Ik denk dat er een zekere rangorde moet bestaan onder de deugden. En dat er misschien wel een deugd bestaat die alle andere in wezen omvat, en dat we die als de voornaamste zouden moeten beschouwen in de benadering van onze kinderen. Welke is dan die deugd?  

Ik geloof dat ik allereerst even een zijsprong moet maken. Daarna zal ik de vraag rechtstreeks beantwoorden. Men heeft vaak het gevoel dat men zich niet in de juiste positie bevindt om zijn kinderen in de zedelijke deugden op te voeden. En wel omdat men het in de ontwikkeling van een of andere deugd in het eigen leven het niet zover gebracht heeft. En dan zegt men: "als ik om te beginnen zelf al niet in staat ben een goede ordening aan te brengen in mijn persoonlijk leven - want achteloosheid is mijn grootste fout - hoe kan ik dan in hemelsnaam mijn kinderen tot orde opvoeden?". Om dit misverstand meteen maar uit de wereld uit te helpen, heb ik hier het antwoord: jij kunt het wel! Het is namelijk een feit dat men alleen al opvoedend werkt door het streven naar zelfverbetering op die punten die men belangrijk vindt voor de kinderen. Als ik tracht edelmoediger te worden en ordelijker, als ik probeer meer begrip te tonen voor anderen, dan zullen mijn kinderen door mijn pogingen automatisch het voorbeeld voor ogen hebben - niet van de volmaakte deugdbeoefening maar van de mens die ernaar streeft zich te verbeteren. Het is dan ook niet nodig hierbij aan een bepaalde deugd te denken, want men moet zich eigenlijk op de beoefening van alle deugden toeleggen.   Nu bekijken we het vanuit een ander standpunt en zo gezien ontdekken we vier hoofddeugden. Dat is natuurlijk maar een manier om de deugden in te delen. Thomas van Aquino was de eerste die met dat spelletje begon, want dat is het toch eigenlijk maar: het trucje van het indelen van de deugden om er zo beter vat op te krijgen. En dan onderscheidt hij: verstandigheid, sterkte, matigheid en rechtvaardigheid als de vier deugden waar alle andere van afhangen. Bestudeert men dit eens, dan ontdekt men dat oprechtheid een onderdeel is van de rechtvaardigheid; dat edelmoedigheid feitelijk onder de naastenliefde valt, maar ook met rechtvaardigheid te maken heeft, het gaat zelfs boven de rechtvaardigheid uit. En als men al die deugden nu eens bekijkt: ijver valt onder sterkte; aanpassingsvermogen valt onder verstandigheid, enz Mijn antwoord zou dus zijn: de belangrijkste deugden zijn die vier, aangezien zij het verband leggen tussen alle andere deugden en die tegelijkertijd als het ware omsluiten. Blijft de vraag: welke zijn de belangrijkste deugden voor ouders en welke voor kinderen in de verschillende leeftijdsfasen.   Om te beginnen met die laatste groep: voor kinderen tot 6 of 7 jaar zou ik zeggen: allereerst ordelijkheid en oprechtheid en dan ook gehoorzaamheid. Niet gehoorzaamheid in negatieve zin of als iets passiefs, maar juist een actieve gehoorzaamheid, waarbij het kind dingen voor iemand wil doen omdat hij weet dat het goed is die dingen te doen. Er valt heel wat te zeggen over de gehoorzaamheid en over elke deugd trouwens. Soms zoekt men het grootste probleem op een heel verkeerde plaats. Zoals bijv. bij de gehoorzaamheid. Normaal zou men denken dat het grootste probleem hier ongehoorzaamheid zou zijn, maar dat is helemaal niet zo! Iedereen gehoorzaamt immers wel aan iemand. En zo doet het kind dat zijn ouders niet meer gehoorzaamt hoogstwaarschijnlijk datgene wat een vriend of vriendin hem of haar voorhoudt. Het probleem is hier dus niet zozeer dat hij zijn ouders niet gehoorzaamt, maar wie hij dan wel überhaupt gehoorzaamt. Dit is even iets om over na te denken.   Neem nu kinderen van 8-12 jaar, dan denk ik dat het logisch is die deugden onder handen te nemen die met de sterkte te maken hebben. Er hebben nu biologische veranderingen plaats in het kind en het voelt zich onhandig en vaak niet op zijn gemak met zichzelf. Dan is het ook goed voor hem veel aan sport en andere lichamelijke activiteit te doen. Hij kan ook erg wispelturig zijn: begint bijv. met een spel, laat het liggen, zoekt iets anders, maakt ook dat niet af en gaat weer iets anders doen, enz. Hij voelt zich als de bergbeklimmer die aan een berg begint, maar dan wordt hij moe, hij heeft geen zin meer en dus geeft hij het op. En nu komt het aan op de deugden die met de sterkte te maken hebben: vooral volharding en verantwoordelijkheid en ook ijver en werklust. En verder deugden die op de naaste betrekking hebben, voornamelijk edelmoedigheid. Voor deze leeftijdsgroep dus: sterkte voor henzelf, en edelmoedigheid zodat zij, sterker wordend, van die kracht aan anderen kunnen meedelen.   Op 13- tot 15-jarige leeftijd (leeftijdsgrenzen moeten altijd wat ruim genomen worden) hebben de kinderen pas zichzelf ontdekt - tot dan toe had het eigen ik nog niet zo de belangstelling. Je merkt opeens dat een kind dat altijd erg open was en door het huis liep te zingen, zich niet meer laat horen en zich terugtrekt op zijn kamer. Het wordt introvert. Hij begint te ontdekken dat hij zijn eigen gevoelens en gedachten heeft, die hij met anderen kan delen, maar die hij ook voor zich kan houden als hij dat wil. Dit lijkt me het juiste ogenblik om die deugden te ontwikkelen die met de persoonlijke gevoelens te maken hebben, zoals vriendschap, bescheidenheid en zedigheid. Welbegrepen zedigheid althans, want gewoonlijk denkt men dat deze deugd alleen betrekking heeft op de kleding, op de bedekking van het lichaam. Maar ik beschouw de bescheidenheid als een veel meer omvattende deugd in de betekenis van: het goed benutten van alle aspecten van de eigen persoonlijkheid. Zo kan men bescheiden zijn in verband met dingen die men gedaan heeft, maar ook in verband met zijn gevoelens en daden en gevoelens van het gezin. Men kiest zorgvuldig de juiste persoon en het juiste moment om over de eigen persoonlijkheid of over de persoonlijke kwesties in het eigen gezin te praten. Ook vriendschap is belangrijk.   Boven de 15 jaar moet men gaan denken aan deugden die meer op het intellectuele vlak liggen. Het denkvermogen van de jongeren begint toe te nemen en daarom komt er nu de verstandigheid bij, die immers deel uitmaakt van het kritisch denken – of eigenlijk andersom: het kritisch denken maakt deel uit van de deugd van verstandigheid. Het kritisch denken, de voornaamste eigenschap bij het hogere en wetenschappelijke onderwijs, heeft drie aspecten:  
  • het verzamelen van informatie. Hieronder valt het weten waar die informatie te vinden is, het onderscheiden in direct of slechts zijdelings belangrijke informatie, d.w.z. wat zijn feiten en wat is persoonlijke mening, is het informatie uit een betrouwbare bron afkomstig of is ze van twijfelachtige herkomst, enz. 
  • het bepalen van maatstaven om de informatie te beoordelen. 
  • het oordelen: het toetsen van de informatie aan zijn maatstaven.  
Dat zijn de drie aspecten van het kritisch denken. De verstandigheid voegt er nog een aan toe, namelijk het handelen: ik moet hier zus of zo handelen of ik doe helemaal niets.   Verder hebben we nog: het vermogen zich te voegen naar anderen (aanpassingsvermogen, inschikkelijkheid) en het vermogen begrip op te brengen.   Maar als jullie me nu vragen wat in het algemeen de voornaamste deugd is, dan moet ik jullie zeggen dat het de liefde is. Hetgeen op het menselijk vlak wil zeggen: naastenliefde, edelmoedigheid, enz.    
Toen u een definitie gaf van een deugd als een gewoonte om het goede te doen, leek het mij toe dat die definitie een herhaling moest inhouden. Betekent dat ook dat een op zichzelf staande handeling - slechts eens in het leven verricht een deel van die deugd kan zijn?  
Natuurlijk is die handeling deugdzaam, dat is duidelijk, omdat ze dat op zichzelf deugdzaam is. Maar of die persoon deugdzaam is, dat is iets anders. Een persoon is deugdzaam als hij de eigenschap verkregen heeft, die hem als het ware vanzelfsprekend en met gemak die handeling doet verrichten. Het is opmerkelijk dat de mens vaak een aangeboren aanleg heeft voor een bepaalde deugd en veel minder voor andere deugden. Zo is een bepaald kind bijv. wanordelijk geboren: het slaapt overdag en is ‘s nachts wakker. Wat doe je eraan? Je kunt het moeilijk inruilen! Een ander kind wordt bijv. geboren met een neiging tot verantwoordelijkheid. En als het negen of tien is, is het zo vol verantwoordelijkheidsbesef, dat je denkt: "ik wou dat hij maar eens een ruit ingooide, want zo kan ik hem niet uitstaan!". Deze aangeboren eigenschappen en neigingen bestaan nu eenmaal. Maar of iemand die eigenschap nu bezit of niet, als die persoon een goede daad doet dan blijft dat een goede daad. En één goede daad in zijn hele leven is altijd beter dan geen enkele. Een goed mens, een gerijpt mens, is degene die als gevolg van het herhalen van bepaalde handelingen de eigenschap verkregen heeft, die hem met veel meer gemak voortaan goede daden zal helpen verrichten. Want dit is het gevolg van het ontwikkelen van deugden: het gaat ons gemakkelijker af die bepaalde goede daden te verrichten. Als ik dus een aantal malen een daad van edelmoedigheid herhaal, wordt het daardoor makkelijker voor me steeds edelmoedig te handelen. Ik doe het ten slotte haast zonder moeite, zodat ik mijn energie voor belangrijker dingen kan gebruiken.    
Kan elke handeling die een persoon - wie dan ook - verricht, tot een deugd behoren? Of zijn er ook handelingen die met geen enkele deugd in verband te brengen zijn?  
Hier moet ik weer terugkomen op de twee aspecten van de deugd waaraan men kan werken:  
de intensiteit waarmee men de deugd beoefent en het motief dat men heeft bij het verrichten van die bepaalde daad.  
Nemen we de edelmoedigheid als voorbeeld. Hoe kunnen wij edelmoedig (vrijgevig) zijn? Door mensen iets te geven. Door aan mensen iets te lenen. En ook door het aannemen van dingen! Sommige mensen hebben het zo goed met zichzelf getroffen, dat ze niet willen dat iemand iets voor hen doet; en eigenlijk zijn dat egoïsten, omdat ze niemand de kans geven iets voor hen te doen. Men kan dus edelmoedig zijn in het ontvangen, en in het vergeven. En in het geven van zijn tijd (dus geen geld, geen materiële zaken, maar tijd). Tot zover over waarneembare zaken.   Maar als we twee kinderen zien die allebei, laten we zeggen een tientje aan een vriend geven, dan zou men kunnen zeggen: "Deze geeft een tientje weg. Ik geef hem een 10 voor edelmoedigheid en die andere knaap ook!" Maar dan komt men achter de motieven in die beide gevallen. De een weet dat de vader van zijn vriend werkeloos is en dat ze daar thuis amper genoeg te eten hebben, dus spaart hij een maandlang zijn zakgeld op om het aan zijn vriend te geven. Dat is edelmoedig. Maar de ander geeft het geld aan zijn vriend omdat die hem een pak slaag beloofd heeft als hij het niet zou doen! En als jij mij dus vraagt of iedere daad iets met een deugd te maken heeft, dan zou ik zeggen: de daad heeft met de deugd te maken zolang ze met het wezen van de deugd verband houdt en ten tweede: wanneer ze met een juist motief wordt verricht. Dat betekent bijv. dat als ik iets geef uit eigenbelang, met in mijn achterhoofd het idee dat hij dan een volgende keer, misschien iets voor mij zal doen, deze daad niets met deugd te maken heeft. Het is dus het motief dat ten slotte aangeeft of een handeling al dan niet deugdzaam is.    
U hebt het voor de pauze over de ouders gehad; zelf werk ik in een jeugdclub. Wat is nu volgens u de taak van jeugdclubs bij de opvoeding in de deugden, die u besproken hebt?  
Het is van fundamenteel belang - zoals ik al gezegd heb - dat het gezin zich moet toeleggen op deugdvorming en het lijkt me dat een jeugdclub meer de rol van de school heeft. Dat wil zeggen dat zij zich op de eerste plaats moet bezighouden met de herhaalbare aspecten van de opvoeding.   Zo moet een school, volgens mij, zich in principe met cultuuroverdracht bezig houden. Maar als het een goede school is, zal zij tegelijkertijd de ouders behulpzaam zijn op het terrein van de deugdvorming. Zo zal zij bijv. door middel van de aardrijkskundeles proberen de kinderen meer begrip voor de naaste bij te brengen, en in de wiskundeles zal men trachten de kinderen vriendelijker met elkaar te leren omgaan en met het Latijn zal men de kinderen helpen edelmoediger te worden, enz. Dat wil zeggen: door middel van de cultuuroverdracht zal men de ouders helpen dit alles te bereiken.   Bij een club ligt dat anders, want een club heeft als een van zijn doelstellingen – denk ik - het bevorderen van een vriendschappelijk klimaat. En in dat klimaat en door die vriendschap kan een club de jongeren helpen zich te beteren. Niet door de activiteiten; deze zijn middelen om het doel te bereiken; het doel dat de vriendschap is. Dat is mijn mening over wat een jeugdclub zou moeten zijn. De kinderen komen dus niet perse om vliegtuigjes te leren bouwen of te leren schilderen of gitaarspelen, neen dat zijn middelen om het doel te bereiken, namelijk het vormen van vriendschap tussen de mensen die de club bezoeken.   En vriendschap houdt verschillende dingen in: het hebben van een gemeenschappelijk belang en meer dan dat, belangstelling hebben voor de medemens zelf. De goede vriend is diegene die opbelt als de ander ziek is en die hem vraagt hoe hij het maakt en die hem opzoekt. Die hem feliciteert op zijn verjaardag en iets voor hem doet. Die probeert iets te verzinnen als hij merkt dat de ander ongelukkig is en hulp nodig heeft. De goede vriend is degene met wie men als het ware een verbond gesloten heeft, zoals twee mensen elkaar kunnen "bevestigen", afspreken om samen te werken, voor elkaar zorg te dragen en met elkaar mee te denken. Dáár gaat het om bij vriendschap. En ik geloof dat een jeugdclub in wezen de vorming van vriendschap in die zin bevordert.   En als jij me vraagt of er tussen ouders en kinderen vriendschap kan bestaan, dan zeg ik: "Ja zeker, er kan vriendschap bestaan tussen ouders en kinderen". Maar eigenlijk is de vriendschap tussen vader en zoon méér dan vriendschap, omdat de vader ook vader is. En hier past weer een van mijn anekdoten, ter verduidelijking.   Ik herinner me het geval van een vriend van mij die zag dat zijn kind met een moeilijkheid zat en die zei: "Hoor eens, ik ben je vriend, Jimmy, en je kunt me alles vertellen wat je overkomt. Want echt, ik ben je vriend. Je kunt me vertellen wat je maar wilt, heus wel, we zijn vrienden!" En zijn zoontje keek hem aan en zei: "Maar papa, ik heb een heel stel vrienden. Wat ik nodig heb is een vader!"   Nu denkt jij: wat is het verschil? Het verschil is dat er in deze verhouding gezag en gehoorzaamheid aan te pas komen. In een vader-zoon relatie horen gezag en gehoorzaamheid, want die onderscheiden deze verhouding van een gewone vriendschapsrelatie. Vriendschap veronderstelt wederkerige interesse, en dat betekent dat er tussen vader en zoon vriendschap kan ontstaan wanneer de zoon iets aan zijn vader begint te geven. Als de vader alles aan zijn zoon geeft, kan er geen vriendschap ontstaan. Als het kind zich zorgen begint te maken over zijn vader en hem suggesties aan de hand doet hoe hij iets beter zou kunnen aanpakken "Vindt jij niet dat jij mama beter zou kunnen behandelen?", "Papa, je bent weer in een slecht humeur!". Als hij zich op deze manier druk begint te maken over zijn vader, dán kan er vriendschap groeien tussen vader en zoon. En ik geloof dat het van belang is, dat men inziet hoe vaak men probeert voortdurend te geven aan zijn kinderen zonder te begrijpen dat men ook van hen moet vragen, dat zij wederkerig iets geven, dat dat gewoon hun plicht is.   Wat men dus in een jeugdclub doet is vriendschap leren vormen zodat de kinderen niet alleen beter zullen zijn als vrienden maar ook als kinderen.Ik weet niet of jullie het ermee eens zijn maar dat is mijn opvatting van een jeugdclub.   Daarom is het ook duidelijk dat de ouders bij de club betrokken moeten zijn, want dan kan de volmaakte driehoek in vriendschapsverhoudingen ontstaan: vriendschap tussen de mensen die de club organiseren en de ouders en tussen diezelfde mensen en de kinderen en tussen ouders en kinderen. Zo steunt men elkaar wederkerig. En tegenwoordig kan men heel wat wederkerige steun gebruiken. Het is erg moeilijk alles alleen te moeten doen zonder dat iemand helpt. Hoe zou je kunnen denken: hiervoor zorg ik wel thuis en dat andere moeten zij op de club wel doen, dat is mijn zorg niet, dat zoeken ze maar uit. Volgens mij is dat op zijn minst een gebrek aan efficiency, een ongelooflijk gebrek aan efficiency als je het zuiver zakelijk bekijkt. Nog afgezien van het feit dat het gewoon heel gezellig kan zijn om eens met anderen te praten die de zorg voor je kinderen met jou delen.    
Ik voel me niet helemaal gelukkig met de suggestie die er schijnt te bestaan, alsof deugden alleen ontwikkeld zouden kunnen worden door druk van buitenaf, speciaal door voortdurende dirigerende ouders. Temeer omdat uw lezing begon met het totaal buiten beschouwing laten van de pedagogische stroming die vaststelt, dat een kind zich spontaan en natuurlijk kan ontwikkelen. Maar als deugden inderdaad aangeboren en natuurlijke gegevens zijn, kunnen zij zich dan niet ontwikkelen zonder die druk van buitenaf?  
De oplossing van die vraag ligt in het woord "natuurlijk". Jij zei: "op een natuurlijke manier". Wat is natuurlijk? Dit is een groot probleem. Omdat sommigen zeggen: "het meest natuurlijke zijn de wilde stammen in het oerwoud;.die leiden het meest natuurlijke leven". Maar dat is niet waar. Die mensen leven op een manier die het meest lijkt op die van andere dieren, maar zij leven niet op de natuurlijkste manier voor menselijke wezens. Het menselijk wezen dat natuurlijk handelt is dat wezen dat van zijn mogelijkheden een optimaal gebruik maakt. Wat zijn de mogelijkheden die de mens onderscheiden van en verheffen boven het dier? Zijn verstand en zijn vrije wil. Als ik dus meer en meer gebruik ga maken van mijn verstand en mijn wilskracht, dan handel ik daardoor meer en meer volgens mijn natuur. Hierop is de leer gebaseerd die de achtergrond vormt van wat ik zei. In die zin moeten we dus ons verstand en onze vrije wil gebruiken om menselijk te handelen. Tot zover het wijsgerig standpunt.   Maar laten we het nu eens over het gezinsleven hebben. Het is niet mijn bedoeling voor te stellen dat men geluk, vrolijkheid en al dat soort dingen over boord moet zetten. Dat zeg ik absoluut niet! Ik zeg dat het kind er recht op heeft, dat zijn ouders iets van hem eisen, zodat hij zich kan ontwikkelen op dat gebied. Het is een feit dat hij zelfs veel gelukkiger zal zijn als zijn ouders eisen stellen. Het duidelijkst is hier een tweeledig antwoord: er moeten eisen gesteld worden en er moet begrip tegenover staan. Als iemand eisen stelt zonder dat hij begrip toont, handelt hij op een manier die niet menselijk te noemen is. Als hij echter begrip heeft maar geen eisen stelt, dan handelt hij onvolledig. Men moet dus beide doen zowel begrip tonen als eisen stellen, hetgeen betekent dat men soms de regels van het spel wel eens aan de kant moet zetten en alleen maar moet spelen en prettig bezig zijn, om dan op een ander moment, als men voelt dat de situatie het toelaat, de teugels wat strakker aan te halen. Niet met ál te straffe hand maar op een rustige manier, om zodoende te bereiken dat de kinderen doen wat nodig is om een samenleven, een redelijk samenzijn binnen het gezinsverband mogelijk te maken. En vraagt men zich af hoe men te allen tijde de gulden middenweg kan vinden, dan denk ik dat ieder voor zich dat zal moeten trachten te doen.    
Is het volgens u in principe onmogelijk dat een kind deugden ontwikkelt bijv. in een antiautoritair schoolsysteem, waar een kind naar believen kan doen wat hem zint? Groeit een kind daar op zonder dat het deugden ontwikkelt?  
Volgens mij heeft het daar inderdaad veel minder mogelijkheden tot het ontwikkelen van deugden. Het zal niet perse zonder deugden blijven, het zal altijd wel enige deugden opdoen. Maar het is net als bij de vraag: "kunnen twee gangsters wel goede vrienden zijn?". Want vriendschap is toch een deugd! Men zou kunnen zeggen: zij kunnen vrienden zijn in datgene wat goed in hen is en niet in hun slechte eigenschappen.   Bij dit schoolsysteem is het zo dat, als mensen zich tot het goede aangetrokken voelen, zij zichzelf eisen zullen gaan stellen opdat zij goed zullen doen aan anderen. Het gaat er dus niet direct om of het systeem eisen stelt, maar meer of de kinderen in zo'n systeem leren zichzelf eisen te stellen, opdat ze deugden kunnen ontwikkelen. En volgens mij heeft het kind beide soorten van zorg nodig: het heeft er behoefte aan van zichzelf iets te kunnen eisen, maar ook heeft het kind er behoefte aan dat een ander iets van hem eist. Op die manier ontwikkelt hij zich vlotter en zal het beter voor hem zijn. En zolang er maar begrip is van de zijde van de eisende persoon, zal hij ook gelukkiger zijn. Maar de eisen moeten niet zwaarder wegen dan het begrip: er moet een goed evenwicht zijn tussen het eisen en het begrip. Dat is mijn opvatting en ik denk ook die van de ouders met een aantal kinderen, want als zij iedereen maar laten doen waar hij of zij zin in heeft, houden ze het niet lang vol. Als iemand me dit soort vragen stelt, zeg ik: "hebt jij wel eens met 30 kinderen opgescheept gezeten zonder enige orde of regel? Hoelang zou je dat kunnen volhouden?". En sterker nog, kinderen vragen zelf om regels. Als men goed observeert, merkt men dat ze om leiding vragen. Ze vragen inderdaad om beperkingen en ze zullen steeds verder gaan tot ze die grenzen bereikt hebben.   Ik vind altijd een mooi voorbeeld in het kind dat op zo’n antiautoritaire school was, en op een zekere dag in vertwijfeling aan de leerkracht vroeg: "Meester, moeten we vandaag wéér doen waar we zin in hebben?"   Het hangt volgens mij voor een groot af van de andere milieus waarin het kind zich beweegt. Hij zal overal regels tegenkomen en er zal op allerlei terrein in zijn leven iets gegist worden.   Ik herinner me van de universiteit twee vrienden, die in zo’n instelling geweest waren, Summerhill geloof ik, en het waren vrij normale mensen. Men kan zich afvragen hoe dat mogelijk is na zo’n opvoeding. Maar ze zijn gewoon gaan nadenken over wat er in hun persoonlijk leven belangrijk was. Deze twee mensen wilden perse goede musici worden. En waarachtig! Zij eisten zodanig van zichzelf, dat ze goede musici zijn geworden. Elke dag studeren, uren en uren op die viool en ik weet niet wat al meer! Want de hemel weet dat je geen goed musicus kunt worden zonder je wilskracht te ontwikkelen en evenmin een goede schrijver. Men kan wel denken dat een schrijver zo maar gaat zitten als hij er zin in heeft en dan wat schrijft. Maar men ontdekt al gauw dat het bij een goed schrijver anders toegaat. Hij moet zichzelf discipline opleggen, zodat hij op een vaste tijd opstaat en achter de computer gaat zitten. Hij moet zich dwingen om daar een paar uur te blijven zitten en de woorden eruit te krijgen, ook al zijn ze niets waard en moeten ze herschreven worden. Het is een feit dat men zich in het leven, in welke situatie dan ook, altijd eisen moet stellen. Anders zal men nooit tevreden zijn over zichzelf. Omdat men dan nooit het gevoel heeft gekend dat zijn speciale talenten tot rijping zijn gekomen en vrucht hebben gedragen.   Het is tijd om te eindigen. Ik moet zeggen dat ik me wat zorgen maakte, omdat ik bij de koffie iemand sprak die mij zei dat hij twijfelde of hij goed deed zo laat koffie te drinken want hij wist niet zeker of hij goed zou slapen of net als een baby, om het half uur huilende wakker zou worden! En daarom - voor het geval dat iemand ten slotte toch nog wat zorgen heeft overgehouden over al deze zaken die wij bespraken - wil ik met een Chinees spreekwoord eindigen. Een Chinees spreekwoord, omdat Chinese gezegden nu eenmaal erg nuttig zijn voor wie zorgen heeft. En dit Chinese spreekwoord luidt:   "Maak jij je niet bezorgd, want morgen is het de eerste dag van de rest van je leven."